Hoe wij een hele wereld zijn

In het zesde middelbaar hadden wij een leerkracht Frans die ook priester was. Hij gaf eigenlijk les aan de hogeschool, maar wilde graag ook één klas laatstejaars uit het secundair. Hij was niet erg geliefd, niet door mij en ook niet door mijn klasgenoten. Zijn opdrachten waren vaak om van achterover te vallen, al moet ik achteraf bekennen dat ik best veel geleerd heb en dat het me later zelfs van pas is gekomen.

Eén van zijn stunts was dat we verplicht naar een filmvoorstelling moesten. Het bleek een verfilming van Prousts à la recherche du temps perdu te zijn, en we begrepen er geen letter van. Niet zozeer omwille van de taal (het zou zelfs zomaar kunnen dat het ondertiteld was, al betwijfel ik het), maar al na tien minuten was zowat iedereen de rode draad kwijt. Voor zover we er één hadden kunnen vinden, ten minste. Achteraf bleek dat het om een ‘stream of consciousness’ ging en dat hij dat er wellicht best vooraf bij had vermeld. Wellicht ja.

Ook al herinner ik me dus geen jota meer van de film, ik vond het wel ontzettend beklijvend dat die hele stroom woorden in mijn eigen hoofd nu opeens een naam had. En eenmaal ik daar een beetje overheen was, kwam het volgende besef méér dan binnen: iedereen heeft dat dus. Niet alleen een heel eigen leven, parallel aan het mijne, maar ook een eigen stroom gedachten, die vast net als de mijne alle kanten op gaan.

De automobilist die mij over liet op het zebrapad. Waar dacht hij aan, op het moment dat hij met zijn hand teken deed dat ik over kon? Waar zou hij wonen? Wat gaat ie eten vanavond? Doet hij zijn werk graag? Zou zijn linkeroorlel soms jeuken?
En dan net zo voor de mevrouw van de slager. Of voor het voetbalvriendje dat laatst is komen spelen. Of voor dat meisje dat daar op de bus staat te wachten.
De jeugdvriendin die je al jaren niet meer gehoord hebt, is misschien op dit eigenste moment pasta is aan het afgieten en denkt aan het concert waar ze vorig weekend bij was (noot: die jeugdvriendin ben ik, eerlijk waar, nog geen tien uur na het bedenken van deze zin, tegen gekomen in de stad. Na drie jaar. Ik ben van verbouwereerdheid vergeten vragen of ze pasta had gegeten en naar een concert was geweest.)

Robert Oppenheimer was een briljant wetenschapper die de atoombom mee ontwikkelde. Toen een van die bommen een volledige stad in de as legde, citeerde hij de veelarmige god Vishnu: “Nu ben ik de dood geworden, vernietiger van werelden.” Let op het meervoud. Daarmee doelde hij niet zozeer op de materiële schade of de mogelijkheid om met die bommen meerdere aardbollen te vernietigen maar op al die mensenwerelden die in een luttele seconde uitgewist werden. Al die dromen, al die gedachten. Al die verledens, al die toekomsten – in een flits verdwenen.

Volt – Roderik Six

Afbeelding van Prasanna Devadas via Pixabay

Nog steeds vind ik dat veruit het meest onbevattelijke – hoeveel gedachten en handelingen wij met zijn allen genereren. Hoe we allemaal een stempel drukken op ons eigen kleine stukje wereld, zelfs zonder dat zo te bedoelen. Hoe we onze eigen kleine wereld zijn, hoe groot en enig die ook voelt. Ik raak er soms gedesoriënteerd van.


Volt is trouwens een bizar spannend boek in een erg dystopische setting. Doordat je in Duvalls hoofd zit, krijg je maar één perspectief binnen en verder heel weinig informatie. Die dacht ik steeds maar te zullen krijgen en toen was het boek plots uit. Ik vond het geweldig én ik snapte er niks van.


Nu jij.

2 gedachten over “Hoe wij een hele wereld zijn

Laat een reactie achter op maartjeleest Reactie annuleren

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s