Waarin ik pompoenen, een roodborstje en kinderbrillen beschouw op een berijpte ochtend.

Het is een stralende ochtend en er ligt overal rijp. Mijn pompoenen! Ik had nochtans in het begin van de week het weerbericht gecheckt en er was van nachtvorst geen sprake – bovendien zou het dit weekend behoorlijk warm gaan worden. Helaas pindakaas voor de vier prachtige flespompoenen die er nog hangen. Ze zullen decoratie worden, want pompoenen waar nachtvorst overheen is gegaan, die worden heel erg bitter (het zou zomaar kunnen dat ik hier al een ietsiepietsie ervaring mee heb…) Verdorie toch! Gelukkig heb ik er ook nog eentje in stukjes in de vriezer, en eentje toch al geoogst klaarliggen die uiteindelijk nog niet in de pot belandde. Hebben we toch een béétje van onze eigen pompoenen kunnen genieten.

Het gemopper verstomt al snel als ik het roodborstje over het terras zie huppen. Dat beestje is nergens bang voor en wipt langs ons venster voorbij alsof het hier allemaal van hem is. Jongste en ik hebben hem Rojo gedoopt en ze vond dat hij verdikt was. Hij eet wel goed hé mama? Dat is door al onze zaadjes! Tekort komt de vogel inderdaad niet, maar ik heb het hart niet haar te vertellen dat hij er zo fluffy uitziet omdat het koud is en hij wat extra lucht onder zijn veren bewaart. Laat haar maar denken dat ze hem totaal vetmest. Ze mag al geen hond, het arme kind!

Die licht bevroren ochtenden, wanneer het zonlicht goudgeel over het dunne witte laagje schijnt, ik ben er gek op. Ze zijn zo vol belofte en het ziet er buiten zo prachtig uit. Binnen is het heerlijk warm, maar worden er plannen gesmeed voor de rest van de dag. Bij zo’n weer kan je gewoon niet onverschillig en lusteloos op de zetel blijven hangen. Ik ben zo goed als bij met de was, straks ga ik eens door de koelkast en vriezer om alles op te ruimen en een boodschappenlijst te maken. Dan rijden we even naar het naburige dorp om iets lekkers te kopen voor deze middag, en ik hoop een afspraak te kunnen maken bij de opticien, want de jongste moet een bril.
Dat was wel even een verrassing gisteren – het CLB had ons doorverwezen naar een oogarts en die bevestigde dat haar vertezicht niet zo goed was. Ze kon er nog uitgroeien, maar dat zou wat tijd gaan kosten, dus wordt het een brilletje. Hebben we totaal geen ervaring mee, dus ik wil me goed laten adviseren en haar een geweldig exemplaar uit laten kiezen dat ze met trots en plezier kan dragen.

Ik had een hele lijst meegekregen met prentenboeken over kindjes die een bril moeten dragen (en die zich zorgen maken over dat ze misschien gepest zullen worden, of dat ze geen prinses meer kunnen zijn of wat dan ook…) wat ik geweldig vond, maar onze dame is laaiend enthousiast dus ik laat die lijst maar zitten voorlopig. Voor haar is er niets verontrustend aan een bril, integendeel. Eén van haar beste vriendinnetjes heeft er ook één, en dan nog een ander vriendje uit haar klas. Ze kan niet wachten om er zelf eentje op haar neus te zetten. In de tijd dat ik dit stukje schrijf, heeft ze me al drie keer gevraagd wanneer we naar de brillenwinkel gaan.

Misschien is het de mama die maar eens aan de prentenboeken moet…

Waarin ik de nostalgische toer opga.

Ik rommelde op zolder in een wanhopige poging die wat leger te maken: met twee kleine neefjes zijn er wel een aantal stuks speelgoed die een fijne tweede thuis zullen vinden. Alleen met boeken heb ik het moeilijk. (Ha, kwam dat even als een verrassing, niet?) Inmiddels kan ik bij mijn eigen boeken wel redelijk goed onderscheid maken tussen wat ik de moeite vind om in mijn kast te laten staan of wat ik wil doorgeven, maar prentenboeken zijn een eeuwige zwakte. Niet alleen van mij trouwens, wanneer ik de uitgebreide boekenkast van mijn ouders zie (waarvan nochtans een flink deel bij mij, mijn zus of mijn broers is beland).

Dat Berenjacht het huis nooit meer verlaat, dat staat vast. Ook Mama Kwijt heeft heel vaak op repeat gestaan. Max en het Speentje was bij onze tutjesfans zo’n hit, dat ik het van de bib heb overgekocht omdat het nergens anders te vinden was. Twee ‘zoekboeken’, van die prachtige exemplaren waar je uren naar de plaatjes kan kijken, zijn inmiddels ook beduimeld genoeg om tot onze literaire geschiedenis te behoren.

Andere boeken zouden zomaar weg kunnen, maar dat vind ik een lastige. Er zijn immers prentenboeken waar ik heel warm aan terugdenk en die nergens meer te vinden zijn, ook al had ik ze heel graag aan mijn kinderen voorgelezen. Boeken die we ooit van de bib haalden, verschillende keren na mekaar, en eindeloos (voor)lazen. Zodra ik oud genoeg was om alleen met de bus te gaan, sleepte ik twintig boeken mee naar huis. Toen mochten er nog maar vijf materialen op je kaart staan, en we hadden alle vier een kaart. Ik werd dus semi-professioneel ‘boekenzoeker’.

Zo ontdekte ik Over een kleine mol die wil weten wie er op zijn kop gepoept heeft. Uitwerpselen doen het altijd goed bij kleine kinderen – dat was bij mijn broertjes niet anders. Werkte trouwens nog steeds prima bij mijn vader ook, en het is een héérlijk boek om voor te lezen. Al die dierenstemmetjes, de klanknabootsing en die fantastische pointe die aan kinderen misschien wat voorbijgaat, maar die je als volwassene zo’n lekker gevoel van voldoening geeft. Gelukkig waren we niet de enige fans, en is het boek nog steeds vlot verkrijgbaar (de allereerste uitgave, in het Duits, dateert al van 1989!!). Het is lang mijn standaard geboortecadeautje geweest, tot mijn zus het niet meer kon aanzien en het mij zelf ook cadeau heeft gedaan. Tot grote tevredenheid van de kroost hier.

Helaas is dat niet het geval voor Jam, door Margaret Mahy. In het Engels wel nog te vinden, maar een Nederlands exemplaar ben ik, ondanks uitgebreid speurwerk, niet meer tegengekomen. Het is nochtans een fantastisch boek – over een huisvader (de mama is astronaut!) die ontdekt dat de gigantische boom in zijn tuin heel lekkere pruimen geeft en dus aan het confituur maken slaat. Het hele gezin enthousiast – en omdat er héél veel pruimen zijn, is er ook héél veel confituur. Kilo’s. Tonnen. Tot elk recipiënt in huis gevuld is met confituur en en pruimenjam een onderdeel wordt van elke maaltijd. Terwijl ze zich gestaag een weg eten door de enorme voorraad potten en bokalen, met steeds langere tanden, zie je kleren te krap worden, want erg gezond is het natuurlijk niet. Ze krijgen nachtmerries waarin jam de hoofdrol speelt. Wanneer de laatste lepel eindelijk binnen is, slaan ze aan het fantaseren over alle heerlijke maaltijden die ze nu kunnen eten – confituurloos. En dan horen ze plots een ‘plok’ op het dak – een jaar is verstreken…
De circulaire opbouw, de geweldige tekeningen, de hilarische situaties, de vanzelfsprekendheid waarmee de geldende standaarden en rolpatronen doorbroken worden – ik zou het boek zelf zo graag voorlezen aan mijn kinderen! Misschien schaf ik me uiteindelijk toch nog een Engels exemplaar aan.

Maar dan komt het dus niet goed met die zolder hier…

Wat zijn jullie favoriete prentenboeken van vroeger?

Voor boeken die nog verkrijgbaar zijn, heb ik een linkje geplaatst naar de site van mijn favoriete boekhandel, Salvator in Mechelen, uitgebaat door de meest fantastische madammen met kennis van zaken en die een geweldige service leveren. De boldotcommen van deze wereld kunnen dan misschien wel heel snel leveren, maar bij hen moet ik vaak amper langer wachten en boeken, dat wordt niet slecht. Bovendien zijn ze een pak charmanter!

En dat we niet bang zijn

“O NEE!”


Gelukkig staan we voor een rood licht, want de gil van mijn bijna driejarige dochter heeft een volume dat me haast een hartverzakking bezorgt. Verschrikt draai ik me om, maar zij kijkt naar buiten en gilt vrolijk verder “we moeten er dwars doorheen!”. Grijnzend beantwoordt ze mijn inmiddels opgeluchte blik. “Zwieperdezwiep” mompelt ze er tevreden achteraan.

Al een paar weken bewijst Wij gaan op berenjacht van Helen Oxenbury en Michael Rosen waarom het zijn status als klassieker dik verdiend heeft. Het is een heerlijk verhaal over een vader die met zijn kinderen op jacht gaat naar een beer. Ten minste, dat heb ik altijd gedacht. Kennelijk gaat het niet om een vader en vier kinderen, maar om vijf kinderen, die gebaseerd zijn op die van Helen Oxenbury zelf.
Erg dapper overwinnen ze allerlei obstakels: gras, modder, wind,… met altijd weer datzelfde refrein dat eindigt met één van de volgens mij populairste zinnetjes uit de prentenboekenliteratuur:
en we zijn niet bang” “EN. WE. ZIJN. NIET. BANG”.
(als je dichtvallende oogjes wil terwijl je aan het voorlezen bent: vergeet het. Mijn kinderen schieten automatisch in standje “scandeer uit volle borst mee”).


Uiteindelijk komen de vijf bij de beer terecht, maar voelen ze zich toch niet meer zo dapper. De weg terug gaat in een razend tempo, met een woest kijkende beer in elke prent. Ik moet altijd inwendig glimlachen als ze eindelijk bijna veilig zijn en zich halverwege de trap realiseren dat ze de deur niet dichtdeden en dus nog even terug moeten ook…

Elke avond (want het staat op ‘repeat) vindt onze jongste boekenwurm wel iets anders in de prenten. Ze zoekt naar de hond, of ze wijst met een gerimpeld neusje naar de vuile modderige voeten. En gek genoeg heeft ze, net als haar grote broer een paar jaar geleden, diep medelijden met de beer die achteraan op de binnenkaft alleen terug naar zijn grot sjokt.

Ik weet nu al dat ik dit boek ga missen als ze het ontgroeit.