Over familie die als een tuin is.

De feestdagen naderen met rasse schreden en ook al heb ik best wel zin om de lichtjes omhoog te hangen (who am I kidding, er hangen er natuurlijk al voor het raam en in de struiken…) er hangt toch zo’n dreigend sfeertje omheen. We weten dat kerst niet zal zijn wat het gewoonlijk is, dat we zullen moeten beperken. Ik ben daar best tevreden mee, want al vind ik het nog zo gezellig, dat hele ‘moeten’ daarrond, daar word ik wel eens moe van.

Bovendien draagt het samenkomen in familie met kerst sinds vorig jaar een nogal beladen herinnering met zich mee voor mij, wat maakt dat ik me een beetje ongemakkelijk voel en stiekem ook wel dankbaar ben dat het dit jaar sowieso raar zal zijn – en dat we het dan op de maatregelen kunnen steken. Het zal wat tijd nodig hebben en die is er nu plots, want allemaal samen tegelijk is toch niet haalbaar.

Toch knaagt er nog iets. Een beetje een schuldgevoel. Want ik heb me deze hele lockdown toch wel érg comfortabel gevoeld in mijn eigen bubbeltje, ver van alles behalve van mijn gezin. Natuurlijk deed ik ook wel mijn best om wat van me te laten horen, maar wellicht had het wat meer gekund. Maar, zoals zo vaak, drukt literatuur je soms onverwacht met je neus op de feiten.

“Een familie is zoals een tuin, als je er niet af en toe komt, dan verwildert die, of sterft van verlating”

Niet dat mijn familie op sterven na dood is, helemaal niet. De banden zijn sterk en worden geregeld aangehaald. Maar ik merk wel dat hoe minder ik mentaal investeer om die letterlijke afstand te overbruggen, hoe groter de afstand figuurlijk ook wordt. En dat heb ik dan alleen maar aan mezelf te danken.

Vorige week belde mijn zus. Gewoon, zomaar. Omdat ze wist dat ik thuis was. Omdat zij ook thuis was. Om bij te kletsen. Ik was blij dat ze belde en we hadden elkaar een heleboel te vertellen. Toch was zij het weer die mij moest bellen. Ik bedenk dat altijd, maar laat het dan weer liggen. Ze drong erop aan om, als het weer het toeliet, in de kerstvakantie af te spreken om ergens te gaan wandelen. Omdat ze me wou zien. Omdat ze er weer af en toe op uit wil met de kinderen. En door dat zo uit te spreken, boekte ze een plekje in. Ze kent me goed genoeg om te weten dat als ze dat niet doet, dat het weer bij vage plannen blijft. Ik ben moeilijk uit mijn kot te krijgen.

Ik dicht mezelf vaak en graag empathie toe. Tot ik plots, als ik eerlijk ben, besef dat mijn empathie te vaak dode letter blijft. Ik voel me zelden of nooit echt eenzaam. Ik kan heel goed alleen zijn. Eenzaamheid ervaar ik vaker in een grote groep, overspoeld door gebeurtenissen en sociale interacties. Zelden of nooit in mijn zetel, in mijn huis, met mijn kinderen onder handbereik (of op school, of bij een vriendje). Mijn wereld hoeft fysiek niet zo groot te zijn, ook niet sociaal. Daardoor besef ik te weinig hoe eenzaam anderen zich kunnen voelen. Mijn zus is een echt mensenmens. Die geniet ook wel van momentjes voor zichzelf, maar put toch vooral energie en hoop uit contacten met anderen. Ik weet dat. Ik erken dat. En toch handel ik er niet naar.

Tijd om m’y foutre les pieds. Iemand leuke tips voor niet te grote wandelingen (kindjes mee tussen vier en acht jaar, geen fervente wandelaars), waar er onderweg ook nog wat te zien/te beleven valt?

Over in de rij staan en in het nu leven.

Net voor de (verlengde) herfstvakantie begon en het duidelijk werd dat onze bewegingen weer wat ingeperkt zouden worden, doken ze weer overal op: de beelden van mensen die in lange rijen aan stonden te schuiven voor pakweg de Ikea. Voor wie zelf niet in die rij stond, was het de perfecte gelegenheid om meewarig het hoofd te schudden. Wat dachten die mensen nou?

Voor alle duidelijkheid: ik stond niet in die rij. De volgende dag overigens had mijn man een kleine gelijkaardige ervaring toen hij aan zee ontdekte dat hij zijn ondergoed was vergeten – en dus naar de enige kleerwinkel in het dorpje tussen de last minute shoppers moest staan aanschuiven aan de kassa. Het was dat, of online bestellen en laten leveren, of een week met dezelfde onderbroek. Hij baalde wel, want de laatste plek waar hij had willen zijn, was in zo’n rij waarover meewarig het hoofd wordt geschud. Ik heb hem er dan ook nadrukkelijk mee uitgelachen. En ja, dat heb je goed gelezen: aan zee. We hadden de mogelijkheid om op te splitsen zodat zijn thuiswerk toch iéts productiever zou zijn dan thuis met twee kinderen-in-vakantie om hem heen. Wij gingen gewoon het weekend nadien even op bezoek.

Los van welk oordeel dan ook, kwam ik in het boek dat ik gisteravond eindelijk uitlas, een zinnetje tegen dat me die rijen toch wat anders deed bekijken.

Uit: Zwarte Kunst – tweede boek: Koningin in ballingschap, Cinda Williams Chima

Als morgen de winkel sluit, dan moeten we er nu nog van profiteren. Als vanavond onze laatste avond samen is, dan moeten we er werkelijk alles uithalen wat erin zit. Morgen kunnen we gisteren niet meer vasthouden. Dit moment komt nooit meer terug en we zijn niet zeker dat wat er nu is, er morgen ook nog zal zijn.

Ik vind het een moeilijke. Aan de ene kant lijkt het me een heel angstige manier om in het leven te staan, ook al klinkt ‘leven in het nu’ prachtig. Aan de andere kant is het zo normaal, zo menselijk. We hamsteren met z’n allen toiletpapier. Maar ook: we proberen nog zoveel mogelijk prachtige momenten samen te beleven wanneer we weten dat het afscheid nadert. Want dat onze handen misschien leeg zullen zijn, dat is even slikken en weer doorgaan. Gaten in ons hart, die kunnen we niet vullen. Alleen de randjes wat minder scherp maken, met herinneringen die we hebben verzameld, zoals eekhoorntjes dat doen met beukennootjes voor de winter.

Toen we gisteren naar huis reden en onderweg bij mijn ouders stopten – voor een garagepoortbezoekje na hen meer dan vier maanden niet gezien te hebben, beving me de gedachte dat dit wel een mager beukennootje was. Ik moet niet de enige geweest zijn. Na een halfuurtje praten, wuifden we flink gedag, zoals het hoort. Alleen de jongste, die rende de oprit terug af om de benen van mijn ouders te knuffelen.

Ik had het hart niet om haar terug te roepen.

Waarin ik pompoenen, een roodborstje en kinderbrillen beschouw op een berijpte ochtend.

Het is een stralende ochtend en er ligt overal rijp. Mijn pompoenen! Ik had nochtans in het begin van de week het weerbericht gecheckt en er was van nachtvorst geen sprake – bovendien zou het dit weekend behoorlijk warm gaan worden. Helaas pindakaas voor de vier prachtige flespompoenen die er nog hangen. Ze zullen decoratie worden, want pompoenen waar nachtvorst overheen is gegaan, die worden heel erg bitter (het zou zomaar kunnen dat ik hier al een ietsiepietsie ervaring mee heb…) Verdorie toch! Gelukkig heb ik er ook nog eentje in stukjes in de vriezer, en eentje toch al geoogst klaarliggen die uiteindelijk nog niet in de pot belandde. Hebben we toch een béétje van onze eigen pompoenen kunnen genieten.

Het gemopper verstomt al snel als ik het roodborstje over het terras zie huppen. Dat beestje is nergens bang voor en wipt langs ons venster voorbij alsof het hier allemaal van hem is. Jongste en ik hebben hem Rojo gedoopt en ze vond dat hij verdikt was. Hij eet wel goed hé mama? Dat is door al onze zaadjes! Tekort komt de vogel inderdaad niet, maar ik heb het hart niet haar te vertellen dat hij er zo fluffy uitziet omdat het koud is en hij wat extra lucht onder zijn veren bewaart. Laat haar maar denken dat ze hem totaal vetmest. Ze mag al geen hond, het arme kind!

Die licht bevroren ochtenden, wanneer het zonlicht goudgeel over het dunne witte laagje schijnt, ik ben er gek op. Ze zijn zo vol belofte en het ziet er buiten zo prachtig uit. Binnen is het heerlijk warm, maar worden er plannen gesmeed voor de rest van de dag. Bij zo’n weer kan je gewoon niet onverschillig en lusteloos op de zetel blijven hangen. Ik ben zo goed als bij met de was, straks ga ik eens door de koelkast en vriezer om alles op te ruimen en een boodschappenlijst te maken. Dan rijden we even naar het naburige dorp om iets lekkers te kopen voor deze middag, en ik hoop een afspraak te kunnen maken bij de opticien, want de jongste moet een bril.
Dat was wel even een verrassing gisteren – het CLB had ons doorverwezen naar een oogarts en die bevestigde dat haar vertezicht niet zo goed was. Ze kon er nog uitgroeien, maar dat zou wat tijd gaan kosten, dus wordt het een brilletje. Hebben we totaal geen ervaring mee, dus ik wil me goed laten adviseren en haar een geweldig exemplaar uit laten kiezen dat ze met trots en plezier kan dragen.

Ik had een hele lijst meegekregen met prentenboeken over kindjes die een bril moeten dragen (en die zich zorgen maken over dat ze misschien gepest zullen worden, of dat ze geen prinses meer kunnen zijn of wat dan ook…) wat ik geweldig vond, maar onze dame is laaiend enthousiast dus ik laat die lijst maar zitten voorlopig. Voor haar is er niets verontrustend aan een bril, integendeel. Eén van haar beste vriendinnetjes heeft er ook één, en dan nog een ander vriendje uit haar klas. Ze kan niet wachten om er zelf eentje op haar neus te zetten. In de tijd dat ik dit stukje schrijf, heeft ze me al drie keer gevraagd wanneer we naar de brillenwinkel gaan.

Misschien is het de mama die maar eens aan de prentenboeken moet…

Waarin Halloweenlichtjes ook een ding zijn

Een beetje beteuterd kwam hij thuis. Het was nog niet donker, het Halloween weekend zou beginnen, en daar had hij om een of andere reden toch erg naar uitgekeken. Ook al hebben we niets met Halloween en verkleed ik ze alleen maar omdat ze dat mogen op school. De laatste twee jaar echter gaat er in een nabije wijk een fijne griezeltocht door en vorig jaar hadden er best veel kindjes in zijn klas daaraan meegedaan. Wij waren toen op vakantie, dus dat was ook fijn. Maar nu waren we niet op vakantie… en ging het niet door. Want deur aan deur tochten zijn afgeschaft en sowieso voelde het niet comfortabel om iets te organiseren waardoor mensen per ongeluk in groep samen zouden kunnen terecht komen.

Met een sip gezicht keek hij naar het huis. “En hier is helemaal niets Halloween. We hebben niet eens een pompoen.” Ik had met hem te doen. Er wordt zo veel afgeschaft, en helemaal terecht, maar blijkbaar had ik niet goed ingeschat hoe erg hij zich hierop verheugd had. En omdat ik graag wat meer aandacht wil hebben voor tradities en hoe de tijd verstrijkt – seizoenen, feestdagen, de typische ankermomenten in een jaar en in een mensenleven… dook ik even de zolder op. Het worden donkere dagen, dan kunnen we net zo goed nu al kerstlichtjes uithalen. Met wat aangepaste decoratie ertussen worden het Halloweenlichtjes. En ook voor die pompoen-met-kaarsje kon gezorgd worden met de materialen die ik al in huis had.

Extra gezelligheid zodra de schemering valt, en pompoenmuffins op de koop toe (omdat we toch iets moesten met het vruchtvlees van de pompoen). Blije kindjes, blije mama. En papa ook, maar die is op verplaatsing gaan telewerken (ja, dat bestaat), dus die kan er iets minder live van genieten. Het is wel wat eenzaam voor hem, maar goed doorpakken met onze twee lawaaimakers in huis, dat is niet evident. Het geeft ons ook beiden de kans om de dingen op ons eigen ritme te doen (want dat ligt nogal eens uiteen). Voor een weekje werkt het prima zo. Beetje meer schermtijd voor de kindjes, beetje veel vroeger onder de wol voor mij. En dus halloweenlichtjes. Lichtjes zijn de bom. Altijd.

Moeten we alleen nog een keer of tien per dag beslissen wie de lucifer/het kaarsje mag uitblazen.

Waarin ik een ochtendmens ben.

Het is vijf uur. Net als bijna elke dag word mijn hoofd wakker, er komt geen wekker aan te pas. Een ochtendmens ben ik. Toch blijf ik liggen vandaag, met de stille hoop dat het andere vroege vogeltje in huis nog even verder slaapt. Ik heb geluk. Ze is al eens wakker geworden van een nachtmerrie een uur geleden en terug in slaap gevallen. Zelfs de vrachtwagen die voorbij dendert en die meestal de laatste slapers uit haar ogen haalt, heeft ze deze keer niet gehoord. Fijn. (En ook: wanneer de kogel eindelijk door de kerk is en we besluiten om dit huis te verbouwen, dan moeten we die kamer geluidsisolatie geven. En haar naar de achterkant van het huis verhuizen. Of zo. Of gewoon helemaal verhuizen – dat ligt ook nog altijd op tafel.)

Eigenlijk moet ik naar het toilet, maar ik probeer wat te lezen. Als ik nu naar beneden sluip, heeft ze me zeker gehoord. Ik hou zo van dit moment, dit alleen zijn met mezelf, wanneer iedereen slaapt. Nu komen al die ideeën en plannen, nu springen de to do lijstjes vanzelf in het gelid, voel ik de energie en de goesting om de dag eens flink aan te pakken. Mentaal worden bergen was gedaan, de lekkerste lunches bereid, koekjes gebakken en brieven geschreven. Van onder mijn heerlijke donsdeken (maakt het uit dat er geen dons in zit? Ik kan niet tegen dons. Ik moet er vreselijk van niezen. B&B’s of hotels die uitpakken met echte veren kussens? Ik moet altijd iets synthethisch gaan vragen en dump hun trots in de kast of op de gang. Ik kan gewoon niet in dezelfde kamer zijn als veren.) glipt de dag netjes in kannen en kruiken.

Op schooldagen glij ik wél naar beneden. Alles kraakt hier, in ons huisje dat ooit een schuur was en waar de vloer van de bovenverdieping bestaat uit platen die op de zoldering zijn getimmerd. Met goedkoop laminaat daarbovenop. Bij de kinderkamers hebben we verbeteringen aangebracht. Misschien niet zo slim – zij maken je toch wel wakker. Omgekeerd moet je niet willen. Meestal lukt het me redelijk en is het uur nét goed: de jongste slaapt nog vast genoeg om zich niet bewust te zijn van de lawaaierige traptreden. Ze maken allemaal geluid trouwens, ik kan nergens omheen. Dan heb ik beneden nog een half uurtje gewijde stilte. Kan ik me rustig klaarmaken in de badkamer. Of nog een uurtje verbeterwerk doen. Dat gaat een pak beter ’s morgens, wanneer ik niet na elke drie zinnen wegdommel. Of, op dagen dat het kan, nog een paar bladzijden lezen vooraleer de dag echt begint. Heerlijk.

Ik wou dat ik van een ritueel kon spreken. Boeken vol worden er geschreven over ‘morning rituals’ en ‘sta een half uurtje vroeger op’. Klinkt heerlijk, maar ofwel hebben ze geen kinderen, ofwel wonen ze in een geluidsdichte bunker, ofwel, nog erger, hebben ze wél kinderen maar slapen die allemaal lekker lang. (Ik hou van comments, maar misschien moet je het me maar niet laten weten als je tot die laatste categorie behoort. Of toch wel. Ik hou écht van comments.) Het enige échte ritueel dat hier overeind blijft is het verhaaltje voor het slapengaan. Met een heel gesprekje rond. Soms blijf ik dan wat bij hen liggen, en dan val ik geheid eerder in slaap dan het kind naast wie ik lig. Moet ik mezelf weer dat warme bed uit slepen zodra ik dat ontdek. Liefst nog stil ook. Om dan in de zetel te gaan zitten. Daar ook weer in slaap te vallen. Mezelf uit die zetel te slepen wanneer mijn man ook gaat slapen. Om dan nét te wakker te zijn om in mijn bed wéér in slaap te vallen en dus dan maar even in een boek te lezen. Wat mijn man dan weer totaal niet snapt, de stakkerd.

Ik vind het heerlijk om een ochtendmens te zijn. Niet dertig keer op snooze te duwen, maar dadelijk dat bed uit. (Serieus: wie wordt daar nu gelukkig van, van snoozen? Dat is toch gemaakt om iemand stikchagrijnig te krijgen voor de rest van de dag?) Helaas vindt mijn dochter dat ook heerlijk. En is het niet de gewijde stilte van een nieuwe dag, in alle rust te beginnen, die haar lokt.

Mamaaaaaaaaa?! Mijn konijntje is nog niet wakker, maar ik al wel!

Halfzes.


Oh, en ik doe mee aan de BlogBoost Najaarschallenge . Ik ben waarschijnlijk al niet meer helemaal op tijd met de thema’s en zo, maar het blijft plezierig.)

Waarin ik een dagje vrij heb en dat helemaal gevuld krijg.

vliegenzwam herfst vrije dag

Een vrije dag vandaag. Een echte, zomaar tussendoor. Het voelt als een cadeautje. In mijn hoofd had ik een hele lijst met dingen die ik wou/zou doen. Een beetje bijwerken voor school. Vooruit koken voor deze week. Uitgebreid badderen. Lezen. Podcasts luisteren. Je hoort het al: idioot veel voor één simpel dagje.

Ik liet me er echter niet door doen. Deze morgen heb ik flink gewerkt. Mailtjes uitgestuurd in de hoop wat achterstallige taken binnen te krijgen. Feedback getypt. Ik probeerde goed door te werken, dan mocht ik als beloning wat lezen. En iets boekigs luisteren terwijl ik het eten kookte. Soms lukt het me heus wel om mezelf te motiveren. Dus nu staat de broccoli-pastinaakpuree te pruttelen en heb ik de eerste aflevering van Gebladerte beluisterd (dankjewel Fieke!). Het was een goeie. Dat merk ik omdat er mieren in mijn vingers zitten en mijn tenen lijken te kriebelen. In mijn hoofd buitelen allerlei gedachten over elkaar, aan elkaar gerijmd door één refrein: wil-ik-ook.

Arnout Hauben vind ik al langer dan vandaag ontwapenend, aandoenlijk en boeiend. Maar een aantal weken geleden heb ik met mijn man samen de reeks bekeken waarin hij dwars door België stapt. Het was één van de weinige televisiemomenten die er niet mee eindigden dat ik lag te snurken in de zetel. Een feest van herkenning, een feest van nieuwsgierigheid ook. Heel veel plaatsen binnen handbereik waar ik ook wel eens zou willen kijken. En wat hardop fantaseren met mijn man om ooit eens het GR pad langs de kust in Bretagne af te wandelen.

En dan de boeken die hij noemde – Kapitein Corelli’s mandoline heb ik ooit gelezen dankzij mijn vader, die er weg van was. Volgens mij vond ik het ook erg goed, maar er is niet zo veel van blijven hangen. Misschien was ik ook een tikje te jong (eigenlijk denk ik dat nu van veel boeken die ik in het middelbaar gelezen heb). Mocht ik niet net een gigantische stapel van de bib mee naar huis gezeuld hebben, zou ik me aan herlezen wagen. En toen ging het plots over boeken die doen lachen. Kwam diezelfde titel weer maar eens ter sprake – en plots herinner ik me dat mijn vader de stukken waarin hij zich in van dat Oud-Grieks verstaanbaar probeert te maken hilarisch vond. En nu wil ik natuurlijk weten hoe dat ook alweer zat. En is mijn leeslijst alweer wat langer, want ik wil Maus, waar het verder nog over ging, ook wel eens lezen.

En dan dat stukje waarin Hauben het heeft over ontmoetingen en verhalen die nog dagenlang onder je vel blijven zitten, ook al is het na zo’n tocht eerst heel wazig en lijkt alles door elkaar en in een gigantische soep en gaat je gewone leven plots door – tot je je dan aan het schrijven zet, orde schept in de chaos en hoe je plots ook je eigen perspectief kan toevoegen, heel voorzichtig. Ik kan het me zo goed voorstellen. Dus hup – daar gaat Hauben ook als auteur op mijn mentaal lijstje “verder te ontdekken”.

Je zou moe worden van zo’n dagje vrij.

(Niet dus hé – ik voel me mega geïnspireerd en heb zin in vanalles en nog wat. Over een maand is het herfstvakantie. Hou je vast!)

(Oh, en ik doe mee aan een blog challenge en al. Geen idee meer waar ik BlogBoost Najaarschallenge voor het eerst tegenkwam, maar ik was nog op tijd, ik had er wel zin in, en de helft van de bloggers die ik graag lees blijken al door hen geïnterviewd te zijn.)

Waarin ik dus echt wel een schrijver ben.

Iets meer dan een jaar geleden zag ik het helemaal voor me. Eindelijk die blog online over zo ongeveer de enige constante in mijn leven: boeken. Het zouden geen reviews worden, want dat lees ik zelf maar sporadisch graag, laat staan dat ik ze schrijf. Maar ik wou wat doen met al die zinnen die me aan het denken zetten. Het zou over mezelf gaan, maar dan door een boekenbril.

Enter werk, enter taxi mama, hopen was, instagramscrollen, uitstelgedrag, lezen over niches, gebrek aan inspiratie en dan een algehele freeze. Flink boeken lezen, maar weinig wat mijn schrijfgedrag aanwakkerde. Ook deze blog werd uiteindelijk een moetje, en mijn creatieve moetjes, die bloeden meestal dood. Maar verdrietig maakte het me wel.

Alweer een zomer verder, waarin ik me vast had voorgenomen het weer op te pakken en er geen letter op papier kwam. Ik gaf mezelf een peperduur verjaardagscadeau waar ik vol enthousiasme op dook, en opnieuw raakte ik verstrikt in wat, geheel volgens diezelfde cursus, een beperkende gedachte heet: ik ben geen volhouder. Ik maak nooit iets af. Ik begin overal aan en verlies de drive onderweg. (Niets mis met de cursus trouwens. Die is fijn. Toffe madammen. Eye-openers. Geweldige ondersteuning. Zijn geld waard. Als je ook iets uitvoert ten minste.)
Enfin, ik moet er geen tekeningetje bij maken. Het werd, alweer, een selffulfilling prophecy.

Het ding is, ik blijf wel lezen over hoe het anders en beter kan. Het is zo’n fijne lectuur en ze pas zo perfect bij dat eerste stukje – overal vol goeie moed en enthousiasme aan beginnen. Ik ben echt een steengoede beginner. Baat het niet, dan schaadt het niet en onderweg pik ik vast nog wel iets bruikbaars op.
Zoals toen ik ineens bedacht: als mijn hoofd zich zo zonder mopperen laat opsluiten in een beperking, dan moet het omgekeerde toch ook lukken?

Nu heb ik bij dagelijkse positieve affirmaties nogal snel de reactie om met mijn ogen te draaien en me behoorlijk meewarig te voelen. Herinner je je dat stukje uit de Vlaamse film Café Derby waarin Wim Opbroeck als een opportunist munt probeert te slaan uit het pausbezoek? En zijn vrouw ongerust meehobbelt met zijn plannen, maar zichzelf dagelijks in de spiegel affirmaties inpepert, met de moed der wanhoop? Dat dus. Dan is er iets in mij wat zegt: mens, pak het vast, die spiegel gaat je niet helpen, dat zal je zelf moeten doen.
Maar misschien komt er ook een stukje van mij in opstand om een andere reden. Door te benoemen wat je bent en wil zijn – sluit je dan niet meteen ook een wereld van mogelijkheden uit? Mogelijkheden die je misschien beter wél zou onderzoeken of toelaten?

Toen viel het kwartje.
Ik ben een schrijver.
Ik ben vast nog een heleboel andere dingen, maar dat ben ik dus ook. Ik schrijf geen romans of verhalen en daardoor zit die term me niet helemaal lekker, maar ik schrijf. Tientallen kwartschriftjes vol. Honderden bedenkingen, beschouwingen, af en toe een verdwaald gedicht. Mijn hele leven al. Ik schrijf. En schrijf. En schrijf nog wat meer.
Hoezo zou ik dan geen schrijver zijn? Dat ben ik wel.
Ik zeg het zelfs voor de spiegel als dat moet.
Ik ben een schrijver.

Misschien wordt het nog wat, die geitenwollensokkenzinnen en ik.

Nergens is het wester

Met, eindelijk nog eens, een podcast over mijn oren, ontsnapte ik daarnet voor een klein uurtje aan het huis, aan de kregelige kinderen, aan de echtgenoot die veel te vrolijk was na een dag telewerken. Ik had het gevoel dat je me kon uitwringen, ik was bokkig en kwaad en mijn geduld was op. Dus ging ik naar buiten. Alleen. En deugd dat het deed.

Nog steeds overvalt me hier soms het gevoel dat ik op vakantie ben. Niet dat het hier zo rustig of stil is, of het uitzicht zo fenomenaal apart, of dat de zon altijd schijnt (al verdenk ik ons dorp wel van een eigen microklimaat)… maar meestal word ik gewoon blij van wandelen langs de velden en straten van de buurt. We wonen hier nu bijna tien jaar en het is wellicht de laatste plaats waar ik mezelf had verwacht, maar het voelt helemaal juist. Ook al ligt het ver van alles, vooral dan van de snelweg, welke snelweg dan ook. Daardoor doet mijn man er belachelijk lang over om op zijn werk te geraken en ben ik zelf ook een klein half uurtje onderweg met de auto. (Met de fiets, als ik in conditie ben, kost het me overigens een uur, en dat stond op het programma voor de lente en zomer. Maar nu gebruik ik mijn fiets om hier in de buurt rond te hotsen, en dat bevalt me ook best.)

De leukste momenten om te wandelen vind ik de vroege ochtend of de avond, net voor de zon begint onder te gaan. Dat licht over de velden, zeker nu… de grassen die deinen als de zee en dan al die veldbloemen ertussenin. De geur van honing in de lucht en vooral: het gevoel van ruimte.

Ik ben een inwijkeling, hier toevallig verzeild geraakt. Buren en vrienden uit de buurt komen zelden van verder dan een paar dorpen verderop. Ik ben geboren in wat ze hier “de Vlaanders” noemen. Het accent (dat ik al niet in grote mate had, zelfs na twintig jaar) is bijna volledig weggewerkt, maar ik blijf hardnekkig ‘piempajoentjes’ zeggen tegen lieveheersbeestjes en ‘schelletjes kaas’ waar ze hier sneller ‘sneetjes’ zullen zeggen. Na een verschrikte blik van mijn oudste heb ik ‘strontjes’ dan toch maar door hagelslag vervangen, dat is wel zo duidelijk…

Maar zo wandelen langs de velden? Dan wandelt een deel van mij ook in die Vlaanders, de polders waar we langs rijden op weg naar zee, waar we eindeloos veel lessen wereldoriëntatie en aardrijkskunde over kregen. En met de noorderwind hier in de rug, is het helemaal niet moeilijk om me te herinneren dat je nooit eens wind mee had bij het fietsen, want de wind kwam altijd van overal, en vooral vanuit de richting waar jij net heen moest.

Nergens is het wester dan daar in Vlaanderen, denk ik. Nergens ook is het waaier, popu de lieren zo en rozen de rozen roder. Met hun kont naar de zee staan er de huizen.

Herman Van Veen – uit: Voor het eerst

Heimwee heb ik niet, ik voel me thuis hier. Maar dat het nergens wester is dan daar in Vlaanderen? Dat klopt als een bus.

En nergens is het waaier, dat ook.

Wortel

Gelach. Zeepbellen. De zon in de tuin. Ik sta middenin het plaatje en zie hoe voorbij de grens van de haag de wereld vertraagt. Niet helemaal, want er zijn nog nooit zoveel fietsers en wandelaars voorbij gekomen als de laatste weken, maar verder: trager. Het doet deugd. Niet het nieuws, want dat is beangstigend bij momenten. Maar deze tijd, gestolen tijd, of liever: teruggenomen tijd. Ik ben dankbaar dat het, hoewel dichtbij, ook heel veraf lijkt. Want hier zijn dus zeepbellen. En gelach. En zon in de tuin.

De kinderen doen het behoorlijk. Natuurlijk ben ik wel vaker thuis met hen voor langere periodes – vakanties behoren toch tot de grote voordelen van het onderwijs. Toch is dit anders. Het lijkt wel of hun karakters zich scherper aftekenen. Ik moet wel wat werken, maar ik zit in een luxe positie. Dat besef ik. Ik ben er dankbaar om. Ik kijk naar mijn kinderen, en ik heb een beetje met hen te doen. Zelf ben ik hiervoor gemaakt, zij hebben veel meer nood aan live contact met vriendjes dan ik. Maar ze doen het goed, vinden elkaar ook steeds beter tussen het bekvechten door.

Er zijn stapels boeken in huis, maar tot lezen kom ik niet. Mijn hoofd is te vol. ’s Avonds val ik in slaap op de zetel, het boek dat ik hardnekkig verder probeer te lezen, glijdt geregeld uit mijn handen. De Parijzenaar, een boek dat me door Karla werd aangeraden toen ik kwam vragen om iets meeslepends. Twee dagen later werd duidelijk dat de lessen opgeschort zouden worden. Gevoel voor timing heb ik wel.

Misschien moet ik nog wat beter naar mijn kinderen kijken. Ze hebben het schilderen herontdekt. De jongste stempelde met een vork bloemen in rood, oranje en geel. Toen vroeg ze om een lepel en een nieuw blad. Na een tijdje zwoegen, toonde ze me een zorgvuldig oranje geverfd vel papier. “Dat is een wortel,” zei ze.

Ik knik.