Waarin ik een dagje vrij heb en dat helemaal gevuld krijg.

vliegenzwam herfst vrije dag

Een vrije dag vandaag. Een echte, zomaar tussendoor. Het voelt als een cadeautje. In mijn hoofd had ik een hele lijst met dingen die ik wou/zou doen. Een beetje bijwerken voor school. Vooruit koken voor deze week. Uitgebreid badderen. Lezen. Podcasts luisteren. Je hoort het al: idioot veel voor één simpel dagje.

Ik liet me er echter niet door doen. Deze morgen heb ik flink gewerkt. Mailtjes uitgestuurd in de hoop wat achterstallige taken binnen te krijgen. Feedback getypt. Ik probeerde goed door te werken, dan mocht ik als beloning wat lezen. En iets boekigs luisteren terwijl ik het eten kookte. Soms lukt het me heus wel om mezelf te motiveren. Dus nu staat de broccoli-pastinaakpuree te pruttelen en heb ik de eerste aflevering van Gebladerte beluisterd (dankjewel Fieke!). Het was een goeie. Dat merk ik omdat er mieren in mijn vingers zitten en mijn tenen lijken te kriebelen. In mijn hoofd buitelen allerlei gedachten over elkaar, aan elkaar gerijmd door één refrein: wil-ik-ook.

Arnout Hauben vind ik al langer dan vandaag ontwapenend, aandoenlijk en boeiend. Maar een aantal weken geleden heb ik met mijn man samen de reeks bekeken waarin hij dwars door België stapt. Het was één van de weinige televisiemomenten die er niet mee eindigden dat ik lag te snurken in de zetel. Een feest van herkenning, een feest van nieuwsgierigheid ook. Heel veel plaatsen binnen handbereik waar ik ook wel eens zou willen kijken. En wat hardop fantaseren met mijn man om ooit eens het GR pad langs de kust in Bretagne af te wandelen.

En dan de boeken die hij noemde – Kapitein Corelli’s mandoline heb ik ooit gelezen dankzij mijn vader, die er weg van was. Volgens mij vond ik het ook erg goed, maar er is niet zo veel van blijven hangen. Misschien was ik ook een tikje te jong (eigenlijk denk ik dat nu van veel boeken die ik in het middelbaar gelezen heb). Mocht ik niet net een gigantische stapel van de bib mee naar huis gezeuld hebben, zou ik me aan herlezen wagen. En toen ging het plots over boeken die doen lachen. Kwam diezelfde titel weer maar eens ter sprake – en plots herinner ik me dat mijn vader de stukken waarin hij zich in van dat Oud-Grieks verstaanbaar probeert te maken hilarisch vond. En nu wil ik natuurlijk weten hoe dat ook alweer zat. En is mijn leeslijst alweer wat langer, want ik wil Maus, waar het verder nog over ging, ook wel eens lezen.

En dan dat stukje waarin Hauben het heeft over ontmoetingen en verhalen die nog dagenlang onder je vel blijven zitten, ook al is het na zo’n tocht eerst heel wazig en lijkt alles door elkaar en in een gigantische soep en gaat je gewone leven plots door – tot je je dan aan het schrijven zet, orde schept in de chaos en hoe je plots ook je eigen perspectief kan toevoegen, heel voorzichtig. Ik kan het me zo goed voorstellen. Dus hup – daar gaat Hauben ook als auteur op mijn mentaal lijstje “verder te ontdekken”.

Je zou moe worden van zo’n dagje vrij.

(Niet dus hé – ik voel me mega geïnspireerd en heb zin in vanalles en nog wat. Over een maand is het herfstvakantie. Hou je vast!)

(Oh, en ik doe mee aan een blog challenge en al. Geen idee meer waar ik BlogBoost Najaarschallenge voor het eerst tegenkwam, maar ik was nog op tijd, ik had er wel zin in, en de helft van de bloggers die ik graag lees blijken al door hen geïnterviewd te zijn.)

Waarin ik dus echt wel een schrijver ben.

Iets meer dan een jaar geleden zag ik het helemaal voor me. Eindelijk die blog online over zo ongeveer de enige constante in mijn leven: boeken. Het zouden geen reviews worden, want dat lees ik zelf maar sporadisch graag, laat staan dat ik ze schrijf. Maar ik wou wat doen met al die zinnen die me aan het denken zetten. Het zou over mezelf gaan, maar dan door een boekenbril.

Enter werk, enter taxi mama, hopen was, instagramscrollen, uitstelgedrag, lezen over niches, gebrek aan inspiratie en dan een algehele freeze. Flink boeken lezen, maar weinig wat mijn schrijfgedrag aanwakkerde. Ook deze blog werd uiteindelijk een moetje, en mijn creatieve moetjes, die bloeden meestal dood. Maar verdrietig maakte het me wel.

Alweer een zomer verder, waarin ik me vast had voorgenomen het weer op te pakken en er geen letter op papier kwam. Ik gaf mezelf een peperduur verjaardagscadeau waar ik vol enthousiasme op dook, en opnieuw raakte ik verstrikt in wat, geheel volgens diezelfde cursus, een beperkende gedachte heet: ik ben geen volhouder. Ik maak nooit iets af. Ik begin overal aan en verlies de drive onderweg. (Niets mis met de cursus trouwens. Die is fijn. Toffe madammen. Eye-openers. Geweldige ondersteuning. Zijn geld waard. Als je ook iets uitvoert ten minste.)
Enfin, ik moet er geen tekeningetje bij maken. Het werd, alweer, een selffulfilling prophecy.

Het ding is, ik blijf wel lezen over hoe het anders en beter kan. Het is zo’n fijne lectuur en ze pas zo perfect bij dat eerste stukje – overal vol goeie moed en enthousiasme aan beginnen. Ik ben echt een steengoede beginner. Baat het niet, dan schaadt het niet en onderweg pik ik vast nog wel iets bruikbaars op.
Zoals toen ik ineens bedacht: als mijn hoofd zich zo zonder mopperen laat opsluiten in een beperking, dan moet het omgekeerde toch ook lukken?

Nu heb ik bij dagelijkse positieve affirmaties nogal snel de reactie om met mijn ogen te draaien en me behoorlijk meewarig te voelen. Herinner je je dat stukje uit de Vlaamse film Café Derby waarin Wim Opbroeck als een opportunist munt probeert te slaan uit het pausbezoek? En zijn vrouw ongerust meehobbelt met zijn plannen, maar zichzelf dagelijks in de spiegel affirmaties inpepert, met de moed der wanhoop? Dat dus. Dan is er iets in mij wat zegt: mens, pak het vast, die spiegel gaat je niet helpen, dat zal je zelf moeten doen.
Maar misschien komt er ook een stukje van mij in opstand om een andere reden. Door te benoemen wat je bent en wil zijn – sluit je dan niet meteen ook een wereld van mogelijkheden uit? Mogelijkheden die je misschien beter wél zou onderzoeken of toelaten?

Toen viel het kwartje.
Ik ben een schrijver.
Ik ben vast nog een heleboel andere dingen, maar dat ben ik dus ook. Ik schrijf geen romans of verhalen en daardoor zit die term me niet helemaal lekker, maar ik schrijf. Tientallen kwartschriftjes vol. Honderden bedenkingen, beschouwingen, af en toe een verdwaald gedicht. Mijn hele leven al. Ik schrijf. En schrijf. En schrijf nog wat meer.
Hoezo zou ik dan geen schrijver zijn? Dat ben ik wel.
Ik zeg het zelfs voor de spiegel als dat moet.
Ik ben een schrijver.

Misschien wordt het nog wat, die geitenwollensokkenzinnen en ik.

Nergens is het wester

Met, eindelijk nog eens, een podcast over mijn oren, ontsnapte ik daarnet voor een klein uurtje aan het huis, aan de kregelige kinderen, aan de echtgenoot die veel te vrolijk was na een dag telewerken. Ik had het gevoel dat je me kon uitwringen, ik was bokkig en kwaad en mijn geduld was op. Dus ging ik naar buiten. Alleen. En deugd dat het deed.

Nog steeds overvalt me hier soms het gevoel dat ik op vakantie ben. Niet dat het hier zo rustig of stil is, of het uitzicht zo fenomenaal apart, of dat de zon altijd schijnt (al verdenk ik ons dorp wel van een eigen microklimaat)… maar meestal word ik gewoon blij van wandelen langs de velden en straten van de buurt. We wonen hier nu bijna tien jaar en het is wellicht de laatste plaats waar ik mezelf had verwacht, maar het voelt helemaal juist. Ook al ligt het ver van alles, vooral dan van de snelweg, welke snelweg dan ook. Daardoor doet mijn man er belachelijk lang over om op zijn werk te geraken en ben ik zelf ook een klein half uurtje onderweg met de auto. (Met de fiets, als ik in conditie ben, kost het me overigens een uur, en dat stond op het programma voor de lente en zomer. Maar nu gebruik ik mijn fiets om hier in de buurt rond te hotsen, en dat bevalt me ook best.)

De leukste momenten om te wandelen vind ik de vroege ochtend of de avond, net voor de zon begint onder te gaan. Dat licht over de velden, zeker nu… de grassen die deinen als de zee en dan al die veldbloemen ertussenin. De geur van honing in de lucht en vooral: het gevoel van ruimte.

Ik ben een inwijkeling, hier toevallig verzeild geraakt. Buren en vrienden uit de buurt komen zelden van verder dan een paar dorpen verderop. Ik ben geboren in wat ze hier “de Vlaanders” noemen. Het accent (dat ik al niet in grote mate had, zelfs na twintig jaar) is bijna volledig weggewerkt, maar ik blijf hardnekkig ‘piempajoentjes’ zeggen tegen lieveheersbeestjes en ‘schelletjes kaas’ waar ze hier sneller ‘sneetjes’ zullen zeggen. Na een verschrikte blik van mijn oudste heb ik ‘strontjes’ dan toch maar door hagelslag vervangen, dat is wel zo duidelijk…

Maar zo wandelen langs de velden? Dan wandelt een deel van mij ook in die Vlaanders, de polders waar we langs rijden op weg naar zee, waar we eindeloos veel lessen wereldoriëntatie en aardrijkskunde over kregen. En met de noorderwind hier in de rug, is het helemaal niet moeilijk om me te herinneren dat je nooit eens wind mee had bij het fietsen, want de wind kwam altijd van overal, en vooral vanuit de richting waar jij net heen moest.

Nergens is het wester dan daar in Vlaanderen, denk ik. Nergens ook is het waaier, popu de lieren zo en rozen de rozen roder. Met hun kont naar de zee staan er de huizen.

Herman Van Veen – uit: Voor het eerst

Heimwee heb ik niet, ik voel me thuis hier. Maar dat het nergens wester is dan daar in Vlaanderen? Dat klopt als een bus.

En nergens is het waaier, dat ook.

Wortel

Gelach. Zeepbellen. De zon in de tuin. Ik sta middenin het plaatje en zie hoe voorbij de grens van de haag de wereld vertraagt. Niet helemaal, want er zijn nog nooit zoveel fietsers en wandelaars voorbij gekomen als de laatste weken, maar verder: trager. Het doet deugd. Niet het nieuws, want dat is beangstigend bij momenten. Maar deze tijd, gestolen tijd, of liever: teruggenomen tijd. Ik ben dankbaar dat het, hoewel dichtbij, ook heel veraf lijkt. Want hier zijn dus zeepbellen. En gelach. En zon in de tuin.

De kinderen doen het behoorlijk. Natuurlijk ben ik wel vaker thuis met hen voor langere periodes – vakanties behoren toch tot de grote voordelen van het onderwijs. Toch is dit anders. Het lijkt wel of hun karakters zich scherper aftekenen. Ik moet wel wat werken, maar ik zit in een luxe positie. Dat besef ik. Ik ben er dankbaar om. Ik kijk naar mijn kinderen, en ik heb een beetje met hen te doen. Zelf ben ik hiervoor gemaakt, zij hebben veel meer nood aan live contact met vriendjes dan ik. Maar ze doen het goed, vinden elkaar ook steeds beter tussen het bekvechten door.

Er zijn stapels boeken in huis, maar tot lezen kom ik niet. Mijn hoofd is te vol. ’s Avonds val ik in slaap op de zetel, het boek dat ik hardnekkig verder probeer te lezen, glijdt geregeld uit mijn handen. De Parijzenaar, een boek dat me door Karla werd aangeraden toen ik kwam vragen om iets meeslepends. Twee dagen later werd duidelijk dat de lessen opgeschort zouden worden. Gevoel voor timing heb ik wel.

Misschien moet ik nog wat beter naar mijn kinderen kijken. Ze hebben het schilderen herontdekt. De jongste stempelde met een vork bloemen in rood, oranje en geel. Toen vroeg ze om een lepel en een nieuw blad. Na een tijdje zwoegen, toonde ze me een zorgvuldig oranje geverfd vel papier. “Dat is een wortel,” zei ze.

Ik knik.