Nergens is het wester

Met, eindelijk nog eens, een podcast over mijn oren, ontsnapte ik daarnet voor een klein uurtje aan het huis, aan de kregelige kinderen, aan de echtgenoot die veel te vrolijk was na een dag telewerken. Ik had het gevoel dat je me kon uitwringen, ik was bokkig en kwaad en mijn geduld was op. Dus ging ik naar buiten. Alleen. En deugd dat het deed.

Nog steeds overvalt me hier soms het gevoel dat ik op vakantie ben. Niet dat het hier zo rustig of stil is, of het uitzicht zo fenomenaal apart, of dat de zon altijd schijnt (al verdenk ik ons dorp wel van een eigen microklimaat)… maar meestal word ik gewoon blij van wandelen langs de velden en straten van de buurt. We wonen hier nu bijna tien jaar en het is wellicht de laatste plaats waar ik mezelf had verwacht, maar het voelt helemaal juist. Ook al ligt het ver van alles, vooral dan van de snelweg, welke snelweg dan ook. Daardoor doet mijn man er belachelijk lang over om op zijn werk te geraken en ben ik zelf ook een klein half uurtje onderweg met de auto. (Met de fiets, als ik in conditie ben, kost het me overigens een uur, en dat stond op het programma voor de lente en zomer. Maar nu gebruik ik mijn fiets om hier in de buurt rond te hotsen, en dat bevalt me ook best.)

De leukste momenten om te wandelen vind ik de vroege ochtend of de avond, net voor de zon begint onder te gaan. Dat licht over de velden, zeker nu… de grassen die deinen als de zee en dan al die veldbloemen ertussenin. De geur van honing in de lucht en vooral: het gevoel van ruimte.

Ik ben een inwijkeling, hier toevallig verzeild geraakt. Buren en vrienden uit de buurt komen zelden van verder dan een paar dorpen verderop. Ik ben geboren in wat ze hier “de Vlaanders” noemen. Het accent (dat ik al niet in grote mate had, zelfs na twintig jaar) is bijna volledig weggewerkt, maar ik blijf hardnekkig ‘piempajoentjes’ zeggen tegen lieveheersbeestjes en ‘schelletjes kaas’ waar ze hier sneller ‘sneetjes’ zullen zeggen. Na een verschrikte blik van mijn oudste heb ik ‘strontjes’ dan toch maar door hagelslag vervangen, dat is wel zo duidelijk…

Maar zo wandelen langs de velden? Dan wandelt een deel van mij ook in die Vlaanders, de polders waar we langs rijden op weg naar zee, waar we eindeloos veel lessen wereldoriëntatie en aardrijkskunde over kregen. En met de noorderwind hier in de rug, is het helemaal niet moeilijk om me te herinneren dat je nooit eens wind mee had bij het fietsen, want de wind kwam altijd van overal, en vooral vanuit de richting waar jij net heen moest.

Nergens is het wester dan daar in Vlaanderen, denk ik. Nergens ook is het waaier, popu de lieren zo en rozen de rozen roder. Met hun kont naar de zee staan er de huizen.

Herman Van Veen – uit: Voor het eerst

Heimwee heb ik niet, ik voel me thuis hier. Maar dat het nergens wester is dan daar in Vlaanderen? Dat klopt als een bus.

En nergens is het waaier, dat ook.

Wortel

Gelach. Zeepbellen. De zon in de tuin. Ik sta middenin het plaatje en zie hoe voorbij de grens van de haag de wereld vertraagt. Niet helemaal, want er zijn nog nooit zoveel fietsers en wandelaars voorbij gekomen als de laatste weken, maar verder: trager. Het doet deugd. Niet het nieuws, want dat is beangstigend bij momenten. Maar deze tijd, gestolen tijd, of liever: teruggenomen tijd. Ik ben dankbaar dat het, hoewel dichtbij, ook heel veraf lijkt. Want hier zijn dus zeepbellen. En gelach. En zon in de tuin.

De kinderen doen het behoorlijk. Natuurlijk ben ik wel vaker thuis met hen voor langere periodes – vakanties behoren toch tot de grote voordelen van het onderwijs. Toch is dit anders. Het lijkt wel of hun karakters zich scherper aftekenen. Ik moet wel wat werken, maar ik zit in een luxe positie. Dat besef ik. Ik ben er dankbaar om. Ik kijk naar mijn kinderen, en ik heb een beetje met hen te doen. Zelf ben ik hiervoor gemaakt, zij hebben veel meer nood aan live contact met vriendjes dan ik. Maar ze doen het goed, vinden elkaar ook steeds beter tussen het bekvechten door.

Er zijn stapels boeken in huis, maar tot lezen kom ik niet. Mijn hoofd is te vol. ’s Avonds val ik in slaap op de zetel, het boek dat ik hardnekkig verder probeer te lezen, glijdt geregeld uit mijn handen. De Parijzenaar, een boek dat me door Karla werd aangeraden toen ik kwam vragen om iets meeslepends. Twee dagen later werd duidelijk dat de lessen opgeschort zouden worden. Gevoel voor timing heb ik wel.

Misschien moet ik nog wat beter naar mijn kinderen kijken. Ze hebben het schilderen herontdekt. De jongste stempelde met een vork bloemen in rood, oranje en geel. Toen vroeg ze om een lepel en een nieuw blad. Na een tijdje zwoegen, toonde ze me een zorgvuldig oranje geverfd vel papier. “Dat is een wortel,” zei ze.

Ik knik.