Waarin ik dus echt wel een schrijver ben.

Iets meer dan een jaar geleden zag ik het helemaal voor me. Eindelijk die blog online over zo ongeveer de enige constante in mijn leven: boeken. Het zouden geen reviews worden, want dat lees ik zelf maar sporadisch graag, laat staan dat ik ze schrijf. Maar ik wou wat doen met al die zinnen die me aan het denken zetten. Het zou over mezelf gaan, maar dan door een boekenbril.

Enter werk, enter taxi mama, hopen was, instagramscrollen, uitstelgedrag, lezen over niches, gebrek aan inspiratie en dan een algehele freeze. Flink boeken lezen, maar weinig wat mijn schrijfgedrag aanwakkerde. Ook deze blog werd uiteindelijk een moetje, en mijn creatieve moetjes, die bloeden meestal dood. Maar verdrietig maakte het me wel.

Alweer een zomer verder, waarin ik me vast had voorgenomen het weer op te pakken en er geen letter op papier kwam. Ik gaf mezelf een peperduur verjaardagscadeau waar ik vol enthousiasme op dook, en opnieuw raakte ik verstrikt in wat, geheel volgens diezelfde cursus, een beperkende gedachte heet: ik ben geen volhouder. Ik maak nooit iets af. Ik begin overal aan en verlies de drive onderweg. (Niets mis met de cursus trouwens. Die is fijn. Toffe madammen. Eye-openers. Geweldige ondersteuning. Zijn geld waard. Als je ook iets uitvoert ten minste.)
Enfin, ik moet er geen tekeningetje bij maken. Het werd, alweer, een selffulfilling prophecy.

Het ding is, ik blijf wel lezen over hoe het anders en beter kan. Het is zo’n fijne lectuur en ze pas zo perfect bij dat eerste stukje – overal vol goeie moed en enthousiasme aan beginnen. Ik ben echt een steengoede beginner. Baat het niet, dan schaadt het niet en onderweg pik ik vast nog wel iets bruikbaars op.
Zoals toen ik ineens bedacht: als mijn hoofd zich zo zonder mopperen laat opsluiten in een beperking, dan moet het omgekeerde toch ook lukken?

Nu heb ik bij dagelijkse positieve affirmaties nogal snel de reactie om met mijn ogen te draaien en me behoorlijk meewarig te voelen. Herinner je je dat stukje uit de Vlaamse film Café Derby waarin Wim Opbroeck als een opportunist munt probeert te slaan uit het pausbezoek? En zijn vrouw ongerust meehobbelt met zijn plannen, maar zichzelf dagelijks in de spiegel affirmaties inpepert, met de moed der wanhoop? Dat dus. Dan is er iets in mij wat zegt: mens, pak het vast, die spiegel gaat je niet helpen, dat zal je zelf moeten doen.
Maar misschien komt er ook een stukje van mij in opstand om een andere reden. Door te benoemen wat je bent en wil zijn – sluit je dan niet meteen ook een wereld van mogelijkheden uit? Mogelijkheden die je misschien beter wél zou onderzoeken of toelaten?

Toen viel het kwartje.
Ik ben een schrijver.
Ik ben vast nog een heleboel andere dingen, maar dat ben ik dus ook. Ik schrijf geen romans of verhalen en daardoor zit die term me niet helemaal lekker, maar ik schrijf. Tientallen kwartschriftjes vol. Honderden bedenkingen, beschouwingen, af en toe een verdwaald gedicht. Mijn hele leven al. Ik schrijf. En schrijf. En schrijf nog wat meer.
Hoezo zou ik dan geen schrijver zijn? Dat ben ik wel.
Ik zeg het zelfs voor de spiegel als dat moet.
Ik ben een schrijver.

Misschien wordt het nog wat, die geitenwollensokkenzinnen en ik.