Over in de rij staan en in het nu leven.

Net voor de (verlengde) herfstvakantie begon en het duidelijk werd dat onze bewegingen weer wat ingeperkt zouden worden, doken ze weer overal op: de beelden van mensen die in lange rijen aan stonden te schuiven voor pakweg de Ikea. Voor wie zelf niet in die rij stond, was het de perfecte gelegenheid om meewarig het hoofd te schudden. Wat dachten die mensen nou?

Voor alle duidelijkheid: ik stond niet in die rij. De volgende dag overigens had mijn man een kleine gelijkaardige ervaring toen hij aan zee ontdekte dat hij zijn ondergoed was vergeten – en dus naar de enige kleerwinkel in het dorpje tussen de last minute shoppers moest staan aanschuiven aan de kassa. Het was dat, of online bestellen en laten leveren, of een week met dezelfde onderbroek. Hij baalde wel, want de laatste plek waar hij had willen zijn, was in zo’n rij waarover meewarig het hoofd wordt geschud. Ik heb hem er dan ook nadrukkelijk mee uitgelachen. En ja, dat heb je goed gelezen: aan zee. We hadden de mogelijkheid om op te splitsen zodat zijn thuiswerk toch iéts productiever zou zijn dan thuis met twee kinderen-in-vakantie om hem heen. Wij gingen gewoon het weekend nadien even op bezoek.

Los van welk oordeel dan ook, kwam ik in het boek dat ik gisteravond eindelijk uitlas, een zinnetje tegen dat me die rijen toch wat anders deed bekijken.

Uit: Zwarte Kunst – tweede boek: Koningin in ballingschap, Cinda Williams Chima

Als morgen de winkel sluit, dan moeten we er nu nog van profiteren. Als vanavond onze laatste avond samen is, dan moeten we er werkelijk alles uithalen wat erin zit. Morgen kunnen we gisteren niet meer vasthouden. Dit moment komt nooit meer terug en we zijn niet zeker dat wat er nu is, er morgen ook nog zal zijn.

Ik vind het een moeilijke. Aan de ene kant lijkt het me een heel angstige manier om in het leven te staan, ook al klinkt ‘leven in het nu’ prachtig. Aan de andere kant is het zo normaal, zo menselijk. We hamsteren met z’n allen toiletpapier. Maar ook: we proberen nog zoveel mogelijk prachtige momenten samen te beleven wanneer we weten dat het afscheid nadert. Want dat onze handen misschien leeg zullen zijn, dat is even slikken en weer doorgaan. Gaten in ons hart, die kunnen we niet vullen. Alleen de randjes wat minder scherp maken, met herinneringen die we hebben verzameld, zoals eekhoorntjes dat doen met beukennootjes voor de winter.

Toen we gisteren naar huis reden en onderweg bij mijn ouders stopten – voor een garagepoortbezoekje na hen meer dan vier maanden niet gezien te hebben, beving me de gedachte dat dit wel een mager beukennootje was. Ik moet niet de enige geweest zijn. Na een halfuurtje praten, wuifden we flink gedag, zoals het hoort. Alleen de jongste, die rende de oprit terug af om de benen van mijn ouders te knuffelen.

Ik had het hart niet om haar terug te roepen.

Wortel

Gelach. Zeepbellen. De zon in de tuin. Ik sta middenin het plaatje en zie hoe voorbij de grens van de haag de wereld vertraagt. Niet helemaal, want er zijn nog nooit zoveel fietsers en wandelaars voorbij gekomen als de laatste weken, maar verder: trager. Het doet deugd. Niet het nieuws, want dat is beangstigend bij momenten. Maar deze tijd, gestolen tijd, of liever: teruggenomen tijd. Ik ben dankbaar dat het, hoewel dichtbij, ook heel veraf lijkt. Want hier zijn dus zeepbellen. En gelach. En zon in de tuin.

De kinderen doen het behoorlijk. Natuurlijk ben ik wel vaker thuis met hen voor langere periodes – vakanties behoren toch tot de grote voordelen van het onderwijs. Toch is dit anders. Het lijkt wel of hun karakters zich scherper aftekenen. Ik moet wel wat werken, maar ik zit in een luxe positie. Dat besef ik. Ik ben er dankbaar om. Ik kijk naar mijn kinderen, en ik heb een beetje met hen te doen. Zelf ben ik hiervoor gemaakt, zij hebben veel meer nood aan live contact met vriendjes dan ik. Maar ze doen het goed, vinden elkaar ook steeds beter tussen het bekvechten door.

Er zijn stapels boeken in huis, maar tot lezen kom ik niet. Mijn hoofd is te vol. ’s Avonds val ik in slaap op de zetel, het boek dat ik hardnekkig verder probeer te lezen, glijdt geregeld uit mijn handen. De Parijzenaar, een boek dat me door Karla werd aangeraden toen ik kwam vragen om iets meeslepends. Twee dagen later werd duidelijk dat de lessen opgeschort zouden worden. Gevoel voor timing heb ik wel.

Misschien moet ik nog wat beter naar mijn kinderen kijken. Ze hebben het schilderen herontdekt. De jongste stempelde met een vork bloemen in rood, oranje en geel. Toen vroeg ze om een lepel en een nieuw blad. Na een tijdje zwoegen, toonde ze me een zorgvuldig oranje geverfd vel papier. “Dat is een wortel,” zei ze.

Ik knik.