Over familie die als een tuin is.

De feestdagen naderen met rasse schreden en ook al heb ik best wel zin om de lichtjes omhoog te hangen (who am I kidding, er hangen er natuurlijk al voor het raam en in de struiken…) er hangt toch zo’n dreigend sfeertje omheen. We weten dat kerst niet zal zijn wat het gewoonlijk is, dat we zullen moeten beperken. Ik ben daar best tevreden mee, want al vind ik het nog zo gezellig, dat hele ‘moeten’ daarrond, daar word ik wel eens moe van.

Bovendien draagt het samenkomen in familie met kerst sinds vorig jaar een nogal beladen herinnering met zich mee voor mij, wat maakt dat ik me een beetje ongemakkelijk voel en stiekem ook wel dankbaar ben dat het dit jaar sowieso raar zal zijn – en dat we het dan op de maatregelen kunnen steken. Het zal wat tijd nodig hebben en die is er nu plots, want allemaal samen tegelijk is toch niet haalbaar.

Toch knaagt er nog iets. Een beetje een schuldgevoel. Want ik heb me deze hele lockdown toch wel érg comfortabel gevoeld in mijn eigen bubbeltje, ver van alles behalve van mijn gezin. Natuurlijk deed ik ook wel mijn best om wat van me te laten horen, maar wellicht had het wat meer gekund. Maar, zoals zo vaak, drukt literatuur je soms onverwacht met je neus op de feiten.

“Een familie is zoals een tuin, als je er niet af en toe komt, dan verwildert die, of sterft van verlating”

Niet dat mijn familie op sterven na dood is, helemaal niet. De banden zijn sterk en worden geregeld aangehaald. Maar ik merk wel dat hoe minder ik mentaal investeer om die letterlijke afstand te overbruggen, hoe groter de afstand figuurlijk ook wordt. En dat heb ik dan alleen maar aan mezelf te danken.

Vorige week belde mijn zus. Gewoon, zomaar. Omdat ze wist dat ik thuis was. Omdat zij ook thuis was. Om bij te kletsen. Ik was blij dat ze belde en we hadden elkaar een heleboel te vertellen. Toch was zij het weer die mij moest bellen. Ik bedenk dat altijd, maar laat het dan weer liggen. Ze drong erop aan om, als het weer het toeliet, in de kerstvakantie af te spreken om ergens te gaan wandelen. Omdat ze me wou zien. Omdat ze er weer af en toe op uit wil met de kinderen. En door dat zo uit te spreken, boekte ze een plekje in. Ze kent me goed genoeg om te weten dat als ze dat niet doet, dat het weer bij vage plannen blijft. Ik ben moeilijk uit mijn kot te krijgen.

Ik dicht mezelf vaak en graag empathie toe. Tot ik plots, als ik eerlijk ben, besef dat mijn empathie te vaak dode letter blijft. Ik voel me zelden of nooit echt eenzaam. Ik kan heel goed alleen zijn. Eenzaamheid ervaar ik vaker in een grote groep, overspoeld door gebeurtenissen en sociale interacties. Zelden of nooit in mijn zetel, in mijn huis, met mijn kinderen onder handbereik (of op school, of bij een vriendje). Mijn wereld hoeft fysiek niet zo groot te zijn, ook niet sociaal. Daardoor besef ik te weinig hoe eenzaam anderen zich kunnen voelen. Mijn zus is een echt mensenmens. Die geniet ook wel van momentjes voor zichzelf, maar put toch vooral energie en hoop uit contacten met anderen. Ik weet dat. Ik erken dat. En toch handel ik er niet naar.

Tijd om m’y foutre les pieds. Iemand leuke tips voor niet te grote wandelingen (kindjes mee tussen vier en acht jaar, geen fervente wandelaars), waar er onderweg ook nog wat te zien/te beleven valt?

Over in de rij staan en in het nu leven.

Net voor de (verlengde) herfstvakantie begon en het duidelijk werd dat onze bewegingen weer wat ingeperkt zouden worden, doken ze weer overal op: de beelden van mensen die in lange rijen aan stonden te schuiven voor pakweg de Ikea. Voor wie zelf niet in die rij stond, was het de perfecte gelegenheid om meewarig het hoofd te schudden. Wat dachten die mensen nou?

Voor alle duidelijkheid: ik stond niet in die rij. De volgende dag overigens had mijn man een kleine gelijkaardige ervaring toen hij aan zee ontdekte dat hij zijn ondergoed was vergeten – en dus naar de enige kleerwinkel in het dorpje tussen de last minute shoppers moest staan aanschuiven aan de kassa. Het was dat, of online bestellen en laten leveren, of een week met dezelfde onderbroek. Hij baalde wel, want de laatste plek waar hij had willen zijn, was in zo’n rij waarover meewarig het hoofd wordt geschud. Ik heb hem er dan ook nadrukkelijk mee uitgelachen. En ja, dat heb je goed gelezen: aan zee. We hadden de mogelijkheid om op te splitsen zodat zijn thuiswerk toch iéts productiever zou zijn dan thuis met twee kinderen-in-vakantie om hem heen. Wij gingen gewoon het weekend nadien even op bezoek.

Los van welk oordeel dan ook, kwam ik in het boek dat ik gisteravond eindelijk uitlas, een zinnetje tegen dat me die rijen toch wat anders deed bekijken.

Uit: Zwarte Kunst – tweede boek: Koningin in ballingschap, Cinda Williams Chima

Als morgen de winkel sluit, dan moeten we er nu nog van profiteren. Als vanavond onze laatste avond samen is, dan moeten we er werkelijk alles uithalen wat erin zit. Morgen kunnen we gisteren niet meer vasthouden. Dit moment komt nooit meer terug en we zijn niet zeker dat wat er nu is, er morgen ook nog zal zijn.

Ik vind het een moeilijke. Aan de ene kant lijkt het me een heel angstige manier om in het leven te staan, ook al klinkt ‘leven in het nu’ prachtig. Aan de andere kant is het zo normaal, zo menselijk. We hamsteren met z’n allen toiletpapier. Maar ook: we proberen nog zoveel mogelijk prachtige momenten samen te beleven wanneer we weten dat het afscheid nadert. Want dat onze handen misschien leeg zullen zijn, dat is even slikken en weer doorgaan. Gaten in ons hart, die kunnen we niet vullen. Alleen de randjes wat minder scherp maken, met herinneringen die we hebben verzameld, zoals eekhoorntjes dat doen met beukennootjes voor de winter.

Toen we gisteren naar huis reden en onderweg bij mijn ouders stopten – voor een garagepoortbezoekje na hen meer dan vier maanden niet gezien te hebben, beving me de gedachte dat dit wel een mager beukennootje was. Ik moet niet de enige geweest zijn. Na een halfuurtje praten, wuifden we flink gedag, zoals het hoort. Alleen de jongste, die rende de oprit terug af om de benen van mijn ouders te knuffelen.

Ik had het hart niet om haar terug te roepen.

Waarin ik de papieren zakken met afhaalboeken mis.

Deze blog tikte ik tijdens de vorige lockdown, toen werkelijk alles dicht was. Deze keer is de bib open, met de gewijzigde openingsuren die sinds juni in voege zijn, en er wordt gevraagd om indien mogelijk alleen te komen. Ik gebruik het nu als mini-uitje voor mezelf, maar eigenlijk vond ik het afhaalsysteem toch wel wat hebben.

Vol vertrouwen huppelde ze naast me op het voetpad. Ze knipperde niet eens met haar ogen toen ze van de stoeprand kukelde en haar been schaafde, zo blij was ze dat nog eens ergens mee heen mocht.

In een paar rode rekken langs de muur, stonden de papieren zakken klaar, gesorteerd op familienaam. Alsof we allemaal even zelf schrijvers waren. Zij en haar broer hadden samen één zak. Dat maakte me blij, gek genoeg, want het maakte het persoonlijker. Degene die de boeken in de zakken had gestopt, had gezien dat dit kinderen uit hetzelfde gezin waren. Intussen liep mijn dochter vol vertrouwen verder naar de deuren… die niet openden. De teleurstelling op dat gezichtje verscheurde weer maar eens mijn hart.

Zelf heb ik een haat-liefde verhouding met de plaatselijke bibliotheek. Misschien ben ik gewoon verwend, maar ik lijk er maar mijn draai niet te vinden. Nog niet zo heel lang geleden heeft de jeugdafdeling een make-over gekregen en die vind ik wel geslaagd, maar toch lukt het me maar niet om er echt te blijven hangen. De frustratie begint meestal al thuis: als de kinderen rond een thema werken, dan vind ik daar in de bib heel weinig van de titels die ik op mijn lijstje heb staan. Ook voor mezelf trouwens, heel dikwijls vind ik gewoon niet het boek dat ik in gedachten had omdat het niet in de collectie zit. Het lijkt erop dat ik een totaal andere smaak heb dan mijn stadsbewoners. Of misschien ben ik gewoon te krampachtig als het om lijstjes gaat.

Want struin ik langs de rekken, dan vind ik meestal wel iets wat me roept. Er zitten heus wel voldoende aanwinsten bij. Er is ruimte genoeg om tussen de rekken even te hurken en te bladeren. Dat moet ik dan wel doen zonder kinderen. Voor de oudste, die nu echt wel goed kan lezen, hoeft het allemaal niet meer zo, en de jongste die hobbelt liefst van alles gewoon rond en speelt verstoppertje tussen de rekken. Tot mijn spijt kan je de jeugdafdeling van twee kanten in en uit en één ervan ligt vlak naast de uitgang, dus eigenlijk kunnen ze in een oogwenk buiten zijn zonder dat iemand het ziet. Gelukkig blijft ze meestal wel binnen, mijn ondernemende dochter. Op zoek naar mij om dan weer heel snel weg te rennen. Boeken haalt ze gewoon uit de bakken en daar laat ze het dan ook bij. (Na een paar ervaringen in een schoenwinkel en recent dus eentje in de brillenwinkel, meen ik een patroon te ontwaren…)

Met de papieren zakken onder onze arm, wandelen we weer naar de auto. Het voelt toch als een cadeautje.