En dat we niet bang zijn

“O NEE!”


Gelukkig staan we voor een rood licht, want de gil van mijn bijna driejarige dochter heeft een volume dat me haast een hartverzakking bezorgt. Verschrikt draai ik me om, maar zij kijkt naar buiten en gilt vrolijk verder “we moeten er dwars doorheen!”. Grijnzend beantwoordt ze mijn inmiddels opgeluchte blik. “Zwieperdezwiep” mompelt ze er tevreden achteraan.

Al een paar weken bewijst Wij gaan op berenjacht van Helen Oxenbury en Michael Rosen waarom het zijn status als klassieker dik verdiend heeft. Het is een heerlijk verhaal over een vader die met zijn kinderen op jacht gaat naar een beer. Ten minste, dat heb ik altijd gedacht. Kennelijk gaat het niet om een vader en vier kinderen, maar om vijf kinderen, die gebaseerd zijn op die van Helen Oxenbury zelf.
Erg dapper overwinnen ze allerlei obstakels: gras, modder, wind,… met altijd weer datzelfde refrein dat eindigt met één van de volgens mij populairste zinnetjes uit de prentenboekenliteratuur:
en we zijn niet bang” “EN. WE. ZIJN. NIET. BANG”.
(als je dichtvallende oogjes wil terwijl je aan het voorlezen bent: vergeet het. Mijn kinderen schieten automatisch in standje “scandeer uit volle borst mee”).


Uiteindelijk komen de vijf bij de beer terecht, maar voelen ze zich toch niet meer zo dapper. De weg terug gaat in een razend tempo, met een woest kijkende beer in elke prent. Ik moet altijd inwendig glimlachen als ze eindelijk bijna veilig zijn en zich halverwege de trap realiseren dat ze de deur niet dichtdeden en dus nog even terug moeten ook…

Elke avond (want het staat op ‘repeat) vindt onze jongste boekenwurm wel iets anders in de prenten. Ze zoekt naar de hond, of ze wijst met een gerimpeld neusje naar de vuile modderige voeten. En gek genoeg heeft ze, net als haar grote broer een paar jaar geleden, diep medelijden met de beer die achteraan op de binnenkaft alleen terug naar zijn grot sjokt.

Ik weet nu al dat ik dit boek ga missen als ze het ontgroeit.